Liefhebbers van het stukje ‘Pomp af!’ opgelet! Deze week heeft de demon der verstrooidheid weer een keer toegeslagen. Ditmaal terwijl ik het avondeten aan het klaarstomen was. Op het vuur stonden drie borrelende potten: een met aardappels, een met boontjes en een met bouillon met soepgroenten, die na het doorkoken alleen nog maar eventjes gemixt worden moest. De aardappelen en de boontjes waren gaar… Tijd voor de grote eindsprint. Ik pak handvaten beet, begin als een gek af te gieten… en zie even later al mijn soepgroenten prijken in het gifgroene plastic van het Blokker-vergiet. Gelukkig had ik nog wat bouillonblokjes over, dus was de soep weer gauw gefixt, al moest ik ondertussen de boontjes en de aardappelen dan weer warm zien te houden en zaten we ruim 20 minuten later aan tafel dan gepland. Vandaag kookt Willy, halleluja.
augustus 27, 2008
Real life zoo
Zondagochtend trokken zij gezinsgewijs naar het Nachtegalenpark, in Lea’s termen, ‘Het Bambibos’. Na een bezoekje aan de hertjes, liepen ze over het brugje richting speeltuin. Op de brug keken ze ook nog even naar de zwemmende eendjes, toen er plots een sneller dier tussen de wortels van de bomen aan de rand van de gracht wegschoot: ‘Een rat!’ Even later weer een, en nog een, en nog een. Wel tien minuten lang konden zij zich daar vergapen aan dikke, dunne, snelle, trage, zwemmende, lopende ratatouille-vriendjes. Mocht er een bioloog op internet aanwezig zijn, wil die dan eens vertellen of dit eigenlijk wel proper is, zo’n rattenpopulatie midden in de stad?
augustus 25, 2008
Papa’s met hoeden
“Mama, wie zijn die papa’s die altijd een hoed aan hebben?” (Lea, 4j10mnd) (aw: joodse papa’s).
augustus 22, 2008
The odd couple
Zonder dat iedereen het eerst goed doorhad, begon de oma van Willy aan Alzheimer te lijden. Ze vertelde wel eens drie keer op een dag hetzelfde verhaal, maar in het begin dacht iedereen dat dat was omdat ze zo blij was dat er iemand op bezoek kwam. Na het overlijden van Willy’s opa had ze zich goed herpakt, maar toch, alleen is maar alleen. In die fase vertelde ze ook een hoop verhalen, die iedereen voor waar aannam, maar die achteraf totaal verzonnen bleken te zijn. Dat een kennis een winkel was begonnen in Ruiselede, of dat haar vriendin Christiane zo vergeetachtig werd. Dat laatste een afleidingsmaneuver, achteraf gezien.
Gaandeweg, nadat ze eens een pan op het vuur had laten staan, of de afstandsbediening had opgeborgen in de microgolfoven, schakelden de schaarse familieleden hulp in, van verpleegsters, buren … . Iedere dag kwamen ze meerdere keren langs en zorgden voor haar. De wisselende verzorgers schreven dan iets in een schriftje waardoor de volgende wist wat er al was gedaan in het huishouden of niet. Als er nog een wasmachine moest worden uitgehaald, bijvoorbeeld, of wat ze die dag al gegeten had. Meme, die vroeger onderwijzeres was geweest, schreef dan op haar beurt in de kantlijn, onderstreept en met drie uitroeptekens: “Afschuwelijk geschrift! Moet aan gewerkt worden!”
In haar meest heldere momenten vertelde ze keer op keer dat ze toch zo blij was dat ze nog in haar huis kon wonen, en dat ze toch zulke goede buren had.
Tot het op een dag niet meer ging. De buren hadden haar van de straat geplukt en weer naar huis gebracht, want ze wist niets meer, ook niet dat haar man al jaren dood was. Bovendien wilde ze niet meer eten en dreigde ze daardoor in de problemen te komen. Ze werd opgenomen in het ziekenhuis, iets wat ze maar met moeite had kunnen verdragen. Nadien namen ze haar op in een rust- en verzorgingstehuis in het dorp waar ze altijd had gewoond, Koksijde. Daar gingen Maya en Willy haar bezoeken op een avond tussen 19u en 20u. Willy verbaasde zich erover dat de gangen, ondanks de milde zomeravond, al volledig donker waren. Toen ze even later de kamer bereikten van meme’ konden ze er niet in. Ze klopten op de deur en hoorden amechtige oude stemmetjes bang antwoorden, maar de deur zat muurvast. Een verpleegster opende de deur en voegde er aan toe dat de bejaarden wel naar buiten konden, maar bezoekers niet binnen, uit veiligheidsmaatregelen. En ze zei ook nog dat de dames al waren klaargemaakt voor de nacht. Willy schrok eventjes maar de verpleegster stelde hem meteen gerust dat het niet erg was: bezoekuur was tot 20u.
Even later stonden ze in de ziekenhuisachtige kamer met vier bedden. Links, vlakbij de deur lag een oude vrouw. Met priemende ogen volgde ze hun bewegingen. Schuin ertegenover, aan het raam, stond het bed van meme. Meme zag er breekbaar en oud uit, zo met het laken tot bijna aan haar kin opgetrokken. Alleen haar bleke, magere hoofd met het typische ‘mis-en-plis’ kapsel was nog te zien. In haar gezicht leken haar blauwe ogen permanent verschrikt opengesperd.
“Dag meme,” zeiden ze en gaven haar traditiegetrouw drie klinkende zoenen.
“Moh, Kben blij dak je zie,” ze herinnerde zich steeds wie Willy was, maar Maya was iets uit haar kortetermijngeheugen, dat ze niet meer had. Ze keek Maya steeds onderzoekend aan en prees Willy dan dat hij zo’n mooie dochter had.
“Goeiendag!” klonk het luid vanuit de andere hoek.
Verschrikt keek meme vanonder haar lakens naar Maya en Willy en fluisterde, alsof het haar pas nu was opgevallen dat er iemand anders in de kamer was: “Wien es dadde?” Maya en Willy zeiden dat ze het ook niet wisten. Nu was meme al altijd een vrouw geweest die wist van aanpakken, ze had vroeger twee winkels gerund, en ze had er altijd uitgezien als een vrouw die respect afdwong. Ze keek Maya en Willy aan met een air van “Ik zal het hier wel even oplossen.”en richtte zich lichtjes op vanonder de dekens: “Zeh ne keer, wie zijde gij feitelijk?”
Waarop het ferm door de kamer klonk: “Maria Boone.”
Meme: “Ah, ja.”
“Kweet nie wie dat dat is, kenne die nie,” zei ze weer fluisterend, tegelijk argwanend en nieuwsgierig. Doordat ze zo met de lakens tot onder haar kin opgetrokken lag, kreeg ze iets kleinemeisjesachtigs, alsof ze op kamp was. “Wij ook niet,” zeiden Maya en Willy overbodig.
“Hoe gaat het met u, meme?”
“Redelijk.”
“Heb je pijn?”
“Da gaat.”
“Ga je ne keer uppe stoan? Je meuht altid were kere, en je moe nie wachte tot zeundag. Kom gieder geweun e ker were, we gon tan een stekske vlees bakken en een beetje babblen. Mo nu est tid veur under bedde.”sprak Maria Boone plots tegen hen. Maya en Willy konden met moeite hun lach inhouden.
“Tis goed. We gaan zo meteen naar bed, hoor,” antwoordde Maya met een knipoog naar Willy.
“Wien es dadde?” vroeg meme weer op fluistertoon, even verschrikt als vijf minuutjes tevoren.
“Da’s Maria Boone,” wisten Maya en Willy haar nu te vertellen.
“Ik ken die nieje, kweet nie wie dat dat is,” zei meme weer. Ze zag dat Maya en Willy het grappig vonden, en er verscheen een twinkeling in haar ogen.
“Kom, sta techte! Nor ulder bedde. Tes tid. Je moe morgen nie uppe stoan om de koeien te melken, maar je moet wel nu naar under bedde.”
“Tis goed, zo meteen!” antwoordde Willy kordaat.
Om maar iets te zeggen zei Maya weer zacht tegen meme: “Is het eten lekker?”
“Ja, heel lekker,” riep de kamergenote ongevraagd en Maya verbaasde er zich over hoe zij werkelijk alles hoorde, “tes hier goed we”.
“Ja, tes hier wel goed,” zei meme aarzelend.
“Je bent hier in het rust- en verzorgingstehuis in Koksijde, je bent in de kliniek geweest en nu moet je wat aansterken en daarom ben je hier,” meende Maya te moeten uitleggen.
“Ah ja,” antwoordde meme, het antwoord leek haar een klein beetje gerust te stellen.
“Morgen komen Frans en Mia op bezoek,” wist Willy nog.
“Ah ja.”
“Ga nu noar ulder bedde, tes tid, Een…. twee,”zei ze dreigend, maar bij “Drie” leek ze zich al niet meer te herinneren waarom ze nu aan het tellen was en dus liet ze haar dreigende toon ook maar varen. ze telde nog wat door, bij elk nummer wat meer weifelend en bij ‘tien’ wist ze al helemaal niet meer waarom en wanneer ze ooit met tellen was begonnen. Willy was de interventies een beetje beu en ging naaat haar bed staan om haar te vertellen dat zij op bezoek waren bij hun meme en dat ze zeker zo meteen zouden weggaan, maar dat ze nu nog een paar woordjes tegen hun meme wilden zeggen.
Het oude vrouwtje schrompelde ineen en kroop weer diep onder de lakens.
Maar Willy zat nog niet goed en wel weer naast het bed van zijn oma of het tellen begon opnieuw. “Tien, negen, acht, zes, vier, drie, twee, een.”
“Wien es dadde?” vroeg meme, even verschrikt als de eerste keer.
En dan na het antwoord: “Kennekik die niet”.
Twee oude vrouwtjes zonder kortetermijngeheugen, samen op een kamertje…Aan elkaar gewaagd in al hun verwarring. Hoe konden zij de nacht doorkomen, zonder te weten wie ze waren, waar ze waren, misschien zelfs vergeten hoe je nu weeral in slaap moest vallen.
augustus 22, 2008
Sienna
Zomertijd en onderbemanning op de redacties of niet… Maya moest toch even slikken toen ze onlangs in De Morgen een artikel las waarin de stad ‘Sienna’ stond vermeld. En het ging wel degelijk over de Toscaanse parel met het schelpvormige plein.
augustus 22, 2008
Coming soon
een absurde dialoog tussen twee alzheimerpatiëntes
Maya’s perikelen met het buurtcomité
Voyage Voyage deel 4
Vanavond kruipt suitsyou nog eens in haar mayapakje en dan komt er weer wat nieuws.
augustus 14, 2008
Camping Eden - Voyage voyage (3)
Dit jaar was er zelfs geen file voor de G-tunnel, en heerlijk relaxed gleden ze door het landschap tot aan het Como-meer, een van de vele plekken in Italië waar Maya graag kwam. Ze wist zelfs precies waar de villa’s van George Clooney zich bevonden, want hij had er sinds enige tijd twee naast elkaar. De arme stakker had die twee villa’s buitgemaakt in de hoop ertussenin een privaat strandje aan te leggen, maar de Italiaanse Monumenten en Landschappendienst had daar een stokje voor gestoken. Penisnijd, wellicht. Nog een 200-tal kilometers scheidden hen van Camping Eden. De lucht begon al op te warmen, de airco van de wagen kon de temperaturen nog nauwelijks de baas. “Lago di Garda!” Nu moesten ze de routebeschrijving van de Nederlandse camping-organisatie beginnen volgen naar het kleine dorpje Portese. Ze reden al een hele tijd naast het prachtige meer toen de gps liet weten dat ze hun bestemming hadden bereikt. Gele lange vlaggen markeerden het begin van Camping Eden, die blijkbaar voornamelijk omhoog lag. Reeds op hoge temperatuur gebakken toeristen liepen af en aan, het was immers een uur of zes ’s avonds en dat was het uur waarop badgasten gewapend met fluokleurige opblaasattributen de 50 meter liepen van het strandje tot aan hun caravan, tent of vakantiehuisje. Maya wipte uit de wagen, kampeervouchers in de aanslag, naar de campingreceptie. Verveeld stond een oudere blondgeverfde Italiaanse haar te woord. “Nee, dit is niet de receptie van Eurocamp. Die is boven,” En met een lange roodgelakte nagel kraste ze even over de felgekleurde en daardoor kinderlijk ogende kaart van de camping. Langs een uiterst smal en steil wegje – al helemaal niets voor wijven die niet in de bergen kunnen rijden – bereikten ze even later een rij tenten: Vacansoleil, Canvas Holidays, Rent a Tent en daartussen gelukkig ook Eurocamp, dat toepasselijk in een tent receptie hield. Een student met t-shirt van Eurocamp, de plaatselijke steward, praatte in Oxford-Engels met enkele Australiërs die grote bronskleurige blikken bier bij zich hadden. De jongen keek een beetje zenuwachtig in Maya’s richting, het zag er precies naar uit dat het nog lang ging duren met die Australiërs. Toen besloot Maya even kordaat op te treden, tegelijk van de gelegenheid gebruik makend om ook haar Oxford-Engels nog een keer van tussen de door ‘Mommy’s Alzheimer’ aangetaste hersenlagen op te diepen. “Could you just tell us where our tent is please?” En alsof dat er iets mee te maken had, voegde ze nog snel toe: “We have two small children in our car.” “Right, uhm, I see,” zei de jongen.
Even later bereikten ze hun vakantieverblijf voor de komende week. Ze monsterden hun troeven: “Ah, een sanitair blok vlak voor de tent, dat is gemakkelijk, dan hoeven we ’ s nachts niet allemaal op Lea’s potje.”
Na een smakelijke pizza in het kamprestaurant, bleef er nog wat tijd over voor de kinderen om te spelen op de speeltuin naast het sanitair blok. Ze maakten kennis met een Nederlands meisje van een jaar of acht. Na het uitwisselen van namen, leeftijden en woonplaatsen, moest het meisje duidelijk iets van het hart: “Waarom spreken jullie zo plat?” waarop Lea meteen: “Mama, wat betekent dat ‘plat spreken’?” Dat kleine Hollandse wicht dat blijkbaar nog nooit een Vlaming van dicbtbij had gezien. Ze waren hier aan het Gardameer anders niet moeilijk te vinden.
Toen de kinderen in bed lagen, vatten Maya en Willy post aan de witte plastic tuintafel voor de tent om met een glaasje rode wijn het vakantiegevoel zacht en zoet te laten binnenstromen. Aan de ene kant van hun gehuurde tent resideerde een Duits koppel waarvan Maya die eerste avond dacht dat de vrouw zwanger was, maar bij nader inzien alleen maar over een geprononceerd opgeblazen gevoel beschikte. Willy zag hen barbecuen, en had al opgemerkt dat er iets in de eigen bbq-voorzieningen van hun tent ontbrak om tot buitengrillen over te kunnen gaan. Hij vroeg Maya om eens bij de buren te gaan informeren hoe zij de barbie aan de praat kregen. Maya wandelde tot bij de man, die op zijn hoede opkeek nu een indringer de drie vierkante meter betrad die hij deze week had gehuurd. Nog steeds in haar Oxford English (eens bovengehaald was het moeilijk weer weg te proppen in het spinrag van haar hersenpan) wilde Maya van wal steken: “Excuse me…” Waarop ze zicb bedacht en eerst even vriendelijk informeerde in welke taal ze hem mocht benaderen. “Deutsch oder Englisch!” klonk het bars. Waarop Maya’s bezoek al overbodig werd, want nu zag ze hoe de man aan het barbecuen was: met van die wegwerpbbq-bakjes van de Aldi. Ze mompelde nog iets, zei “Danke Schön” en droop af.
Enkele uren later arriveerden ook hun andere buren, Polen. Uit een VW-Golf van de jaren ’80 kwamen twee potige mannen, een mooie vrouw en twee lagereschoolkinderen. Drie volwassenen en twee kinderen hadden dat hele eind afgelegd van Polen tot Portese met zeer beperkte beenruimte. Respect was het enige dat zij daarvoor konden opbrengen. In tegenstelling tot hun gecrispeerde Duitse buren, hadden de Polen de hele verdere vakantie elke avond veel plezier aan de tafel die ze strategisch achter hun tent hadden gezet, kwestie van hun buren niet te veel te storen. Eens te meer: ‘respect’!
augustus 14, 2008
Voyage voyage (2)
Snel vliedden de Zwitserse steden voorbij. Basel, waar ze warme herinneringen aan koesterden, en wat later de eerste grote bergen. De kinderen waren vanzelf onder de indruk door zoveel grootsheid en zochten in de flanken van de ruwe rotsen naar glinsterende watervalletjes. Met adelaarsoogjes had Lea ze altijd eerst gezien, dus zocht Maya mee met Gaston om er ook een aan zijn kant van de wagen te vinden. De sfeer was opperbest, al moesten Maya en Willy wel de hele tijd dezelfde sprookjescd opzetten, een cd waarin het woordje ‘opperbest’ in elk verhaaltje voorkwam.
De Gotthardtunnel begon al op de borden te verschijnen. Maya wilde maar liever niet nog een keer het stuur overnemen, nadat zij het jaar tevoren de versnellingsbak naar de verdoemenis had geholpen, “Een wijf kan niet in de bergen rijden,” had een onverbeterlijke macho-kennis daar toen over gezegd. En dus deed ze het maar niet meer. Daar kwam de parking in zicht waar zij het jaar tevoren rond een uur of halfzeven, vlak voor de Gotthardtunnel met twee uitgehongerde kinderen in de wagen, waren gestrand. Maya zag weer voor zich hoe zij daar niet de enigen waren die zich met een rokende motorkap in de haren stonden te krabben. Voor sommigen was het toen een kwestie van de motor een half uurtje te laten afkoelen, zoals die Franse Espace die weer van de parking was weggereden met de laadklep van de koffer nog open, waarop de een na de andere reis- en rugzak op de grond donderde, met als top of the bill een gitaarkoffer. Alle mensen op de parking probeerden de aandacht te trekken van de chauffeur door luid te roepen, op en neer te springen, met de armen in de lucnt te zwaaien of zelfs – clever – te toeteren, maar de Fransman aan het stuur dacht dat het uit vriendelijkheid was en stak zijn hand op vanuit zijn raampje. Ondertussen belden Maya en Willy naar het noodnummer van de VAB.” Ja, vlak voor de Gotthardtunnel,” hoorde Maya Willy zeggen, “Waar dat ligt?” En dan kwaad met zijn hand op de hoorn: “Die vraagt nu waar dat hier ligt zeg!” Waarop Maya de telefoon overnam en zelf mocht vernemen hoe pover het gesteld was met de aardrijkskundige kennis van de bedienden van het noodnummer van de VAB-reisbijstandsverzekering. “Ja, in Zwitserland, niet ver van de grens met Italië. Spellen? Euh, G – O – T – T – H – A –R – D. “ En zo ging het maar door. Even later belde Maya naar haar ouders, die op hen zaten te wachten in een pensionnetje aan de andere kant van de tunnel. Haar vader, die meteen in de rol van clanleider verviel nu hij vermoedde dat zijn dochter en haar gezin op een onveilige plaats vertoefden in nood, beloofde hen te komen halen. Ondertussen zou Willy dan blijven wachten op de wegenwacht. Dat verliep niet zonder slag of stoot, want ondertussen was de gehele G – O – T – T – H – A –R – D- tunnel afgesloten door een ander malheur. Toen Maya dat hoorde, zonk de moed haar in de schoenen. De kinderen mochten niet uit hun stoeltje omdat er nog elk moment een nieuwe gedupeerde rokend de kleine parking opkroop, al dan niet voorzien van een caravan. Er was al geplast geweest in de berm, door allevier, Er was al gezocht geweest naar het laatste restje melk, de papfles was al leeg, de koekjes waren op, kortom er dreigde peuteroproer van de ergste soort. Ze belde haar broer, die ook in het pensionnetje zat te wachten en die verzekerde haar dat hun vader onderweg was. Ze geloofde het niet meer. Plots reed een Zwitserse politiewagen met loeiende sirenes de parking op en hield stil iets voor hun monovolume. Verdwaasd dachten Maya en Willy: “Wat is dat nu weer?” toen ze daarachter de oude blauwe Saab van haar vader zagen opduiken. In paniek had die een politieman staande gehouden en die brave man was meteen in actie geschoten om die arme toerist met politie-escorte door de afgesloten tunnel te loodsen en vervolgens te herenigen met zijn dochter en kleinkinderen. Emotionele taferelen volgden. Snel werden de kinderstoelen gemonteerd, het kinderbed versast, een deel van de buggy geherbergd en enkele van de vele reistassen. De andere helft van de bagage kregen ze er niet meer in.
Enkele uren later arriveerde uiteindelijk ook Willy, die naar het hotel was gebracht door de depanneur, die ook nog zo vriendelijk was geweest om de andere helft van de indrukwekkende lading bagage tussen de bakken met gereedschap te proppen. Toen Maya dankbaar ging helpen om zijn wagen leeg te maken, viste ze nog snel een van haar sportschoenen uit een bak vol vijzen in het midden. De vervangwagen, die ze de volgende dag mochten oppikken, was maar de helft zo groot als hun eigen vorstelijke VW-gezinswagen, en met de legerkoffer (bijgenaamd ‘de rotkoffer’) waar Willy zo aan was gehecht, alleen al, had de hele koffer volgezeten. Letterlijk ingemetseld door bagage, arriveerden ze toen op hun eindbestemming in de Chiantistreek waar de vakantie verder vlekkeloos verliep.
augustus 10, 2008
Van de ooievaar en het muisje
Hieronder de transcriptie van een gesprek van vier kinderen: twee van bijna vijf, en twee van drie.
“Kijk daar, een huis met een ooievaar!” (Maya, 35 j)
“Die is weggevlogen met een kindje!” (Gaston, 3j)
“Ja, naar Planckendael!” (Max, 3j)
“Nee, die heeft een kindje gebracht!” (Maya, 35j)
“Neeeeeee, kindjes komen uit de buik!” (Mira, 4j 9m)
“Maar hoe komen die daar dan uit?” (Lea, 4j 9m)
“Die komen eruit gekropen!” (Gaston, 3j)
“Neehee, waaaar komen die dan uit?” (Lea, 4j 9m)
Grote schaterlach: “Uit de poep!” (Mira, 4j 9m)
Gigantische schaterlach van allemaal
“Neenee,” lost de buurvrouw het diplomatisch op, “Die komen uit het muisje.”
“Ja,” antwoordt haar driejarig neefje Max, instemmend. En de anderen vinden dit ook weer voldoende … voorlopig.
augustus 10, 2008
Vijfje (2)
Lea, 4j 9 mnd: “Kom Vijfje, we gaan naar het Vlaan-Oosten!” (Oost-Vlaanderen)