Elk jaar is het opmaken van mijn belastingsbrief een werkje waar ik met enige huivering aan begin. Mijn ergste vijand ben ikzelf en mijn immer avontuurlijk opruimgedrag, waardoor ik altijd doodsbenauwd ben dat ik een van de fiches niet op de normale plaats heb geklasseerd, dus niet in het bakje voor bankpapieren, in het bakje ‘belastingen’, in het bakje ‘administratie’, in een rommelschuif in de woonkamer (voor als ik snel snel iets belangrijks moet wegleggen voor de grijpgrage handjes van Gaston en Lea), in de vier schuiven daaronder, in een vergeten handtas, in het rommelbakje naast het aankleedkussen, als bladwijzer in een boek (ik weeeet nochtans dat ik dat niet mag doen), in de onderste regionen van de krantenbak of tussen de kookboeken. Elk jaar bekruipt mij dan de schrik van het oud papier: “Als ik dat document maar niet in een vlaag van waanzin bij het oud papier heb gelegd”
Elk jaar begint mijn belastingsbriefsessie dus met een grote kuis van mijn bureau en alle voornoemde bakjes, schuiven en handtassen. Als ik dan uiteindelijk alle fiches (met van die onmogelijke nummers) bij elkaar heb, slaak ik een zucht van verlichting. Vandaag ben ik dus begonnen aan de grote schoonmaak. Ik zette mijn iTunes op shuffle en begon te schuifelen tussen, naast en onder mijn bureau, bureaustoel, bakjes, mandjes en handtassen. Met twee goede vriendinnen in het achterhoofd die de bovenmenselijke eigenschap hebben om alles weg te kunnen gooien (hun huis ziet er daardoor altijd supergezellig en piekfijn uit), ging ik aan het werk.
Na 2,5 u pure archeologie kwam ik tot volgende collectie:
- drie trambiljetten (een nog uit het jaar 2000, mezelf kennende heb ik dit wschl om die reden zolang bijgehouden)
- een tiental munten van voor de euro (ook om die reden wellicht bijgehouden)
- 20 klantenkaarten (meestal met maar 1 aankoop op, de ergste is wel die van natuurhandel Regiform, waar je maar liefst 30 aankopen moet doen alvorens een kortingske te oogsten)
- een tiental haarelastiekjes
- slechte paperclips
- onhandige papieren en plastic opbergdozen van Ikea (in alle mogelijke maten, en allemaal even onhandig)
- bekers vol balpennen zonder dop/hoedje/stop
- elektronische parafernalia (oortjes van iPod, batterijladers, handleidingen, cd-roms waar ik niet meer van weet wat erop staat)
- een stuk of drie zonnebrillen
- doppen van balpennen
- een honderdtal visitekaartjes van restaurants, winkels in Amsterdam, en een boel mensen waarvan ik me niet eens het moment van overhandiging van het kaartje kan herinneren
- tijdschriften
- boarding passes met iets op gekrabbeld om te onthouden (het zevende strijkkwartet van Sjostakovitch, bijvoorbeeld)
- foto’s
- tampons en mvb (god weet volgens welke fysische wet verpakte mvb altijd op mijn bureau belanden terwijl ik al zo vaak onverwacht ben geïnvadeerd door het rode leger en me moest behelpen met van dat schurend bruin toiletpapier)
- stapels eigen visitekaartjes
- postkaartjes van alle mogelijke verjaardagen
- nieuwe postkaartjes die al zo vergeeld zijn dat ik ze beter op eBay zou zetten als “Genuine eighties postcards, unused”.
Ik ben ook van het type dat steevast om middernacht haar brief nog gaat posten, behalve een keer, toen ik zwanger was van Lea. Toen had Willy onze enveloppen verzameld en meegegeven met zijn vader op de laatst mogelijke dag. Die avond was ik nog op stap gegaan met wat vriendinnen. Toen ik thuiskwam (halfeen), grijnsde daar plots vanop mijn bureau mijn ingevulde belastingsbrief mij toe. Ik had met andere woorden de enveloppe netjes klaargemaakt en dichtgeplakt, maar was de brief vergeten. Zwanger en al belandde dat jaar mijn belastingsbrief dus om 1u30 ’s nachts in de brievenbus. En ik mij daar maar zorgen over maken.
Een jaar later zouden wij op de uiterste belastingsdeadlinedag al op vakantie vertrekken, ditmaal voor de eerste keer met baby (8 maanden oud), het was de bedoeling om ’s middags te vertrekken, nadat Willy nog een laatste klus had opgeknapt. Nadat ik al de hele ochtend alles had zitten inpakken (ditmaal ook voor een baby en god weet wat die allemaal nodig hebben, of zouden kunnen nodig hebben, van pampers tot thermometer, van zomerpyjamaatje tot opblaasbadje, van zonnecreme factor 100 tot papfleswarmer, van babybed tot buggy), legde ik de laatste hand aan mijn belastingsbrief. Ik kwam tot de conclusie dat ik een deel miste, het deel voor honoraria en vacatiegelden, iets wat je apart had moeten aanvragen. Er zat niets anders op dan mij meteen naar de hoofdtoren van de belastingen te begeven, om het bewuste document aldaar te krijgen en in te vullen. Met Lea in de maxicosi in de ene hand en de manila enveloppe (kan ik eindelijk dat woord eens gebruiken) in de andere hand, trok ik naar de balie en vroeg waar ik deel 2 van de brief kon krijgen. “Dat weet ik niet,” zei de mevrouw tot mijn verbijstering, “maar ik zal eens bellen.” Na een stuk of drie telefoons die allemaal op een negatief antwoord eindigden, stuurde de dame me naar de derde verdieping, te bereiken via de tweede lift van links “Want anders zitte in de verkeerde afdeling”. Monter dacht ik nog: “dat is toch niet zo erg, dan vraag ik gewoon de weg.” Boven kwam ik op een typische bureau-afdeling, een grote zaal, met kantoorklerken in cubicles, de ene met een muur van kamerplanten op en rond zijn bureau, de andere intensief luisterend naar een indrukwekkend Klara-concerto, ik probeerde vergeefs hun blik te vangen, steeds zwaarder wegende maxicosi in de ene hand, manila-enveloppe in de andere. Niemand keek op. Een bonkig vrouwmens met bril beende voorbij, waarop ik haar vroeg waar ik het bewuste deel 2 van de belastingsbrief kon krijgen. “Da’s hier nie,” antwoordde ze nors. “Ik begon het echt Spaans benauwd te krijgen. Mijn smekende blik opmerkend hielp ze me uiteindelijk toch aan het document en ze zei er nog bij dat op de zevende verdieping iemand zat die mij kon helpen met het invullen ervan, want ik zag helemaal niet waar en in welk vakje ik mijn extra inkomsten (auteursrechten stonden er nergens bij) kwijt kon. Op naar de zevende, met kind en papierenbundel. Hier was het nog erger dan in de verzamelde cubicle-afdeling. Allemaal gesloten deuren, niemand te zien, ik zeeg neer op een stoel in de gang en was net op het punt gekomen dat ik dacht eender wat te beginnen invullen toen er plots voor mijn neus een lift openging. Daaruit kwam geheel vanzelf een tot de rand met belastingsbrieven gevulde winkelkaar buitenrijden. Ik knipperde met mijn ogen, wist niet wat ik zag en ging automatisch rechtstaan. Toen ontwaarde ik achter de kar een dwergvrouwtje dat met haar korte armpjes de kar voortduwde. Ik stond meteen bij haar. “Kunt u mij helpen met het invullen van deel 2…?” Nog voor ik verder iets kon zeggen, fluisterde ze “Ja, ge moet het bedrag van uw fiche invullen bij dat vakje, en ge kunt er ook nog beroepskosten bij aangeven.” Nog stiller fluisterde ze: “k mag u dat niet zeggen, maar ge moogt kosten inbrengen tot 20% van uw bedrag.” Ze keek snel om zich heen om te zien of ze niet betrapt werd en weg was ze, moeizaam duwend aan de tjokvolle kar. In een twee drie had ik de documenten ingevuld, berekende snel de reële kosten en stapte in de lift, die nog steeds uitnodigend openstond.
Ik zal die mevrouw nooit vergeten, de enige normaal behulpzame, in een torenhoog rariteitenkabinet.
3 Reacties
juni 13, 2008 at 7:02 am
Het lijkt wel of je ONZE kast bent komen opruimen. Zo herkenbaar! (op de haarelastiekjes na, want in een mannenbastion en een moeder met kort haar…).
Wederom erg genoten van dit relaas.
Veel succes met het invullen van het onding. Misschien is het online leuker?
september 18, 2008 at 8:44 am
Heel herkenbaar inderdaad. Zelf voel ik me op zo’n momenten van adminstratieve rompslompavonturen ook altijd verdwaald in “het Proces” van Kafka, deel 3, wegens succes (god weet waarom) blijvend verlengd. Eén grote mallemolen is het.
Ooit vergat ik het formulier voor kinderopvang in te dienen en kwam daar “nog net op tijd” achter, namelijk op de laatste dag vooraleer de definitieve verwerking van onze belastingsbrief zou gebeuren. Het geplande uitstapje naar de dierentuin met dochterlief veranderde dan maar in een spannende tocht naar het plaatselijke belastingskantoor. Om de uitstap ook voor haar zo leuk mogelijk te maken (want zelf vond ik zoiets natuurlijk het summum van menselijk geluk) beklommen m’n dochter en ik de trappen, al spelend met haar popje tussen ons in. Tot op het ongelukkige moment waarop dochterlief haar evenwicht verloor en ik gillend met haar popje in de hand toekeek hoe ze van de trappen stuiterde.
Ik heb mezelf nog nooit eerder zo luid horen gillen.
(De trappenhal was dan ook voorzien op een akoustiek waar een operazaal nog een puntje aan zou kunnen zuigen.)
En daar, onderaan de trap, met mijn dochtertje in de armen, zag ik hoe overal deuren opengingen en bezorgde blikken verschenen. Hoe bleke ambtenaren op zoek gingen naar een verbandkoffer. En hoe mijn formulier voor kinderopvang daar ironisch genoeg niets meer toe deed…
september 18, 2008 at 8:53 am
Hahahaha, super reactie! Ik hoop dat de kleine meid er geen belastingssallergie heeft aan overgehouden voor de rest van haar leven. Dit jaar koos ik inderdaad voor tax on web, dat gaat supersnel, zo snel dat je dan ineens merkt dat het spel al is doorgestuurd terwijl je er misschien toch nog even een laatste blik had willen opwerpen.